Belpatronen bij doundouns in Malinké-ritmes

Doundounspelers op de Bas*boot zijn gewoon om het patroon van de doundoun steeds te combineren met een bijhorend patroon op de bel of kenken die aan elke doundoun hangt. Terwijl de sterke hand het vel van de trommel beroert, bespeelt de zwakke hand de bel. Maar niet in alle streken van West-Afrika wordt de doundoun gecombineerd met een bel. Welk belpatroontje kies je als je een ritme speelt waar oorspronkelijk geen bel bij hoorde?

De typische gestemde bellen die in stijgende toonhoogte aan dounounba, sangban en kenkeni worden gehangen, werden oorspronkelijk enkel gebruikt in de streek Faranah in Guinea (rond de stad Kouroussa). In andere streken worden geen bellen gebruikt of begeleiden vrouwen de dans met karignans, een soort buisvormig belletje. Een bel of karignan is, net als een diabara of shekeré, in Afrikaanse ogen geen muziekinstrument. Vandaar dat ook vrouwen haar mochten bespelen. Een derde mogelijkheid is dat men andere soorten bellen gebruikt, zoals in Kiya, Mali, waar de dounounfola (doundounspeler) een belletje bespeelt dat hij in zijn opgestoken linkerhand houdt.
Bij ritmes uit streken waar de dounounfola ook bel speelt, speel je gewoon het belpatroon dat het lekkerst bij het dounpatroon hoort. De meeste belpatronen bestaan uit combinaties van enkele en dubbele slagjes. Wie al enige tijd doundoun speelt, weet dat er bij een bepaald doundounpatroon meestal maar één mogelijk belpatroontje denkbaar is. Ik zou niet 'denkbaar' mogen schrijven aangezien je zal merken dat, als je het ritme zonder nadenken speelt, je zwakke hand automatisch op het juiste belpatroontje uitkomt. Je hoeft je dus niet te concentreren op ingewikkelde, asynchrone combinaties, zodat je spel spontaner en natuurlijker zal klinken. Je richt je aandacht vooral op het vel en laat je zwakke hand min of meer automatisch 'volgen' en wel op die manier dat het patroon van de bel synchroon loopt met dat van het vel. Aldus vormt het belpatroon het raster waar de slagen op het vel in passen. Voor het dounounba-patroon van Balakoulandian of het sangban-patroon van Soli lent wordt dat bvb.

|x.xx.xx.|x.xx.xx.| (waarbij |=maatstreep, x=slag en .=rust)

Als het tempo zeer hoog is kan je, de logica volgend dat de trommel het belangrijkste is, eventueel vereenvoudigen naar

|x.xx..x.|x.xx..x.|

Dit synchrone belpatroon kan veranderen met de variaties van de trommel. Bij het variëren is het namelijk nog belangrijker dat je je aandacht richt op je trommel en de bel de veranderingen 'automatisch' laat volgen.

Bij ritmes die oorspronkelijk zonder bel gespeeld werden, ben je vrij een adaptatie te kiezen op voorwaarde dat die overeenkomt met de feeling van het ritme. Belangrijk hierbij is dat je goed luistert naar de muziek, meer bepaald naar wat je medemuzikanten spelen. Een vastliggend belpatroon behoort in de regel tot de time van het ritme (d.i. de tijd; de herhaling staat centraal) terwijl het dounpatroon de response (d.i. reactie, antwoord) is op de call (d.i. roep, vraag; de verandering staat centraal) van de djembésolist. Maar zodra jouw doundoun varieert, wordt dat patroon op zijn beurt de call waar je bel op reageert (herhaling en verandering ontmoeten elkaar). Luisteren en ontspannen mee veranderen zijn dus het belangrijkst. Het geheel mag niet 'wringen'.
Als je een adaptatie kiest voor een bel, zijn er verschillende mogelijkheden. Bij ritmes als Soli, Mendiani e.a. uit Ouassoulou in Oost-Guinea, waar bellen niet gebruikelijk zijn, is het mooi om met de bel het ritme van de karignans op te roepen. Dit vereist wel een zekere onafhankelijkheid van linker- en rechterhand aangezien het belpatroon dan niet meer volledig synchroon loopt met het trommelpatroon. Voor Soli betekent dat dan

|x.xx.x|x.xx.x|

Merk op dat deze notatie, net als elke andere poging om traditioneel Afrikaanse ritmes op te schrijven, onvolledig zoniet onjuist is. Het is namelijk zo dat de slagen van de bel iets verder uit elkaar gespeeld moeten worden dan dat ze hier genoteerd zijn. Dit heeft te maken met de feeling van de ritmes. Ritmes als Mendiani, Garangedon en heel de Dounoumba-familie (dansen van de sterke mannen) hebben dezelfde feeling als Soli. Bij elk ritme wordt de feeling aangekondigd in de appèl (die, net als de rest van de solo's, tot de roep van het ritme behoort) en vind je die feeling vervolgens terug in de combinatie van de begeleidingsritmes en in de combinatie van de belpatronen (die beiden tot de tijd van het ritme behoren). Bij de ritmes van deze feeling kan je bovenstaand belpatroontje combineren met

|.xx.xx|.xx.xx|,

zoals gebeurt bij het kenkeni-patroon van Soli, maar nooit met

|xx.xx.|xx.xx.|

Ritmes als Dja, Soko, Maracadon, Madan en Tiriba krijgen bij voorkeur het laatstgenoemde belpatroon, waarbij ook hier de x'en verder uit elkaar liggen dan genoteerd. Je ziet dat we, alhoewel het hier net als bij Soli om ternaire ritmes gaat, een geheel andere feeling krijgen. Het verschil in feeling is dan ook de reden waarom wij voor deze groep ritmes een andere appèl gebruiken. Ook hier is de feeling of cadans te horen in de combinatie van begeleidingsritmes en in die van de belpatronen. Voor de sangban krijgt het belpatroon dat deze cadans het dichtst benadert, de voorkeur. Voor Dja wordt dat dan bvb.

|x.x.x.xx.xx.|

De dounounba kan hier echter wel het patroon

|x.xx.xx.xx.x|

krijgen, dat we eerder bij de groep ritmes als Soli verwachten. Als je dit laatste patroon mooi in de feeling van Dja wil doen passen, moet je, in tegenstelling tot Soli, de slagen twee aan twee dichter bij elkaar spelen dan genoteerd.
Bij het variëren met de dounounba op ternaire ritmes luister je goed naar de bellen van de andere doundouns. Dubbelslagen in je variaties kunnen samenvallen met slagen van die bellen óf tegen de tijd vallen.

Gebruik je muzikaliteit, dus je luisterend oor, bij het kiezen van belpatronen. De ene keer kan het mooi zijn dat de drie bellen hetzelfde spelen (in het bijzonder als je de karignans imiteert, want die spelen ook met verschillende karignans hetzelfde patroon). De andere keer ontstaat er juist een prachtige polyritmiek tussen de bellen als elkeen een ander patroon speelt (zoals bij de Dounoumba-ritmes of bij veel ritmes in 4). In dat geval is het van belang goed te luisteren naar de bellen van je collega-dounounfola's zodat er niet teveel overlapping is.
Het belangrijkste is dus: luisteren naar elkaar, oor hebben voor de eigenheid (feeling) van het ritme en niet zoveel aandacht aan je bel schenken dat je trommelpartij eronder gaat lijden. Het moet 'natuurlijk' klinken.

- Yanne De Belder, november 2004