Naar een Belgisch Afrikaanse didaktiek
Waarom een didaktiek voor djembe?
Toen ik onlangs door de Groene Vallei, een braakliggend stuk natuur in Gent, liep, werd mijn aandacht getrokken door het geluid van djembégeroffel dat van tussen de bosjes kwam. Ik stapte op de trommelaar toe om kennis te maken en hem uit te nodigen voor djembé-lessen op de Bas*boot. Waarop hij reageerde met: "Les volgen hindert de spontaneïteit. Als je les volgt, ga je schools spelen." Waarbij hij 'schools' zeker niet als compliment bedoelde.
Zulke reacties kom je wel meer tegen. Ofwel bij non-conformisten die uit een vaak terechte afkeer van overdreven regelgeving zichzelf afwenden van alles wat naar autoriteit ruikt. Ofwel bij mensen die zich zo geconformeerd hebben aan starre regels dat zij een uitlaatklep zoeken en hierbij creativiteit verwarren met ongebreidelde spontaneïteit. Op zich is daar natuurlijk niets op tegen, meer nog: het is erg leuk om je uit te leven op een trommel. Maar laten we wel wezen: je kan je in die hoedanigheid moeilijk muzikant noemen en een eventuele luisteraar heeft er al helemaal geen boodschap aan.
Het vreemde is dat zulke ideeën nooit in iemands hoofd opkomen, als het over andere muziekinstrumenten dan tamtams gaat. Iedereen is het erover eens dat je om een piano, viool of gitaar te leren bespelen best een leerkracht, een leermethode en muziekstukken uit de traditie nodig hebt. Zelfs muzikanten die zich autodidact noemen, doen eigenlijk niets anders dan voor zichzelf een virtuele leermeester samen te stellen uit stukjes van de grote componisten en virtuozen uit de traditie van hun instrument. Dit is mogelijk omdat de westerse muziek al sinds eeuwen wordt genoteerd (het notenschrift) en sinds één eeuw ook geregistreerd (magnetisch of digitaal). Als pianist kan je niet voorbij Chopin, als gitarist negeer je Hendrix niet en een saxofonist moet zijn positie tegenover Coltrane bepalen. Elke muzikant moet dus zijn positie tegenover de muziektraditie bepalen.
Een djembé is een muziekinstrument als alle andere. Het ziet er misschien eenvoudiger uit, maar die eenvoud maakt het juist veel moeilijker om er mooie muziek mee te maken. Je kan er even hard op studeren, er even diep op ingaan en er even hoog mee klimmen als met andere instrumenten. In essentie is elk instrument even moeilijk te bespelen, of we nu spreken over een orgel met drie klavieren, een voetklavier en 32 registers of over een simpele shaker. Als we ons willen bekwamen op de djembé, ligt het dus voor de hand de rijke muziekgeschiedenis van West-Afrika als vertrekpunt te nemen. Wat we er als 'volleerde' muzikanten achteraf mee aanvangen, dat is een ander probleem. Maar voor onze opleiding is het niet meer dan logisch dat we vertrekken van de eeuwenlange culturele erfenis die in het geheugen van de Afrikaanse muzikanten ligt opgeslagen.
In het geval van Afrikaanse muziek kunnen wij niet uitgaan van wat genoteerd en geregistreerd werd. Ten eerste omdat de Afrikaanse cultuur een orale (mondelinge) cultuur is en ten tweede omdat de kolonisatoren geen interesse hadden in de zwarte cultuur (als ze al geloofden dat er zoiets bestond...) en het dus niet nodig vonden er veel van te registreren. Maar ook omdat de Afrikaanse muziek, gegroeid in de orale cultuur, zich moeilijk leent tot registratie en notatie. Het is immers een soort muziek die nooit stilstaat, voortdurend in ontwikkeling is, die constant varieert en veel ruimte voor improvisatie laat. Bovendien bezitten veel Afrikaanse ritmes een speciale feeling die moeilijk of onmogelijk in schrift om te zetten is. Er rest ons dus geen andere keuze dan ons een leermeester(es) te kiezen, d.w.z. iemand die na een langdurige scholing en training ingewijd is in de geheimen van het instrument. Zo iemand kan je leren luisteren (naar de polyritmiek, de klanken, de feeling,...), kan je de juiste technieken aanleren (houding, positie, beweging van de handen) en aan de hand van traditionele begeleidings- en soloritmen een aantal ritmische figuren en frazen aanreiken. Dit moet je zeker niet beschouwen als aanzetten tot naäperij. Integendeel, het is juist een eeuwenlange Afrikaanse traditie dat elk voor zich een persoonlijke, eigentijdse interpretatie moet zoeken van dat wat hij geleerd heeft.
Het spreekt vanzelf dat die leermeester(es) geen Afrikaanse man hoeft te zijn. In de Afrikaanse traditie is het de bedoeling, jazelfs de plicht voor iedereen om aan anderen door te geven wat men zelf geleerd heeft en beheerst. Op die manier reproduceert de cultuur zichzelf voortdurend, en het maakt niet uit of dit proces aan de gang wordt gehouden door zwarte of witte, mannelijke of vrouwelijke handen. Meesters als Mamady Keita of Adama Dramé porren hun niet-zwarte leerlingen aan om hun kennis en kunde door te geven aan anderen. Er zijn zelfs Afrikaanse meesterdrummers die meer vertrouwen hebben in sommige Europese lesgevers, dan in een aantal van hun Afrikaanse collega's bij wie het misprijzen voor de eigen cultuur er diep ingestampt is en die vaak hun eigen cultuur niet meer voldoende kennen.
Er zijn nog andere redenen om te kiezen voor een leermeester(es). Eeuwenlange ervaring met onderwijs en wetenschappelijke onderzoeken rond pedagogiek en didactiek, hebben aangetoond dat een relatie met een autoriteit een ideale relatie is om snel en grondig te leren. Dit is het gevolg van het psychologisch mechanisme dat 'overdracht' genoemd wordt en dat zich ontwikkelt binnen elke meester-leerling-relatie. Die overdrachtssituatie is de voorwaarde voor suggestie, die op haar beurt de basis vormt voor elk leren. De leerkracht hoeft daarom geen autoritair persoon te zijn, maar door je in te schrijven voor een muziekles, stel je je vrijwillig onder de artistieke autoriteit van je leermeester(es). Door hem/haar te betalen, geef je aan dat je in hem/haar je meerdere ziet op het vlak van datgene wat je wenst te leren. Het is dit uit-vrije-wil-onderwerpen-aan-een-autoriteit dat een goede garantie biedt voor je vorming.
Een muziekinstrument bespelen is niet moeilijk, in die zin dat je er geen talent voor hoeft te bezitten en dat iedereen het kan leren. Maar het is ook niet gemakkelijk, in die zin dat je er hard aan moet werken. Omdat de mens een (op zich gezonde) afkeer van werken heeft, is het de taak van de leerkracht zijn leerlingen aan te zetten tot werken, oefenen, trainen. Elk leerproces verloopt in golfbewegingen. Tijdens de ene periode 'vlieg' je vooruit en hoef je jezelf niet te motiveren om te oefenen; de 'goesting' komt vanzelf. Maar dikwijls zijn er periodes waartijdens je het niet meer zo goed ziet zitten. Op zo'n momenten moet je leerkracht daar zijn om je aan te porren en je te wijzen op de afspraken die je met hem/haar gemaakt hebt.
Als je nu les volgt en je onderwerpt je aan een leermeester(es) en aan de wetten van de techniek en de traditie, bestaat het gevaar dan niet dat je creativiteit gedood wordt? Dat hangt er maar vanaf hoe je creativiteit definieert. Als je creativiteit ziet als iets dat compleet uit het niets verschijnt, zoals de eerste slagen die je als kind op een lege doos klopte, kan het antwoord 'ja' zijn. Maar dan blijf je wel steken op het niveau van de klankenbrij die de nog niet sprekende baby uitbraakt en ga je voorbij aan de onbegrensde creativiteit die de volwassen taalbeheersing mogelijk maakt. Grote creatieve geesten die echt nieuwe zaken bedenken, los van wat er in hun tijd bestond, zijn uiterst zeldzaam.
Je kan creativiteit ook zien als een proces van voortdurende verandering, waarbij door variatie het traditionele (d.i. het gemeenschappelijke en dat wat voorbij is) wordt aangepast aan het hedendaagse en aan het individuele. Het kader aan wetten en technieken dat de muzikale traditie ons aanreikt is dan geen hinderpaal voor, maar een voorwaarde tot creativiteit. Als je geen kader hebt, kan je het ook niet interpreteren, je er niet van bevrijden. In dit verband wens ik te eindigen met een citaat van de grote Franse hedendaagse componist en dirigent Pierre Boulez:"Ik concipieer de muziek altijd streng dwingend en dan bevrijdt de muziek zich uit die dwang. Dat lijkt mij essentieel want de dwang kan je iets doen uitvinden waar je anders niet aan zou denken. Als er geen dwang is, denk je vrij te zijn maar eigenlijk word je dan beheerst door je geheugen. De dwang van de techniek daarentegen verplicht je om vernieuwend te zijn." (Interview met Stephan Moens in De Morgen van zaterdag 11 maart 2000).
Yanne De Belder, maart 2000 (herzien oktober 2002)
