Improvisatie in Afrika

Er gaat een vreemde aantrekkingskracht uit van slagwerkinstrumenten. Mensen die zich bij confrontatie met andere muziekinstrumenten in allerlei verontschuldigende bochten wringen teneinde het "probeer toch ook eens" te ontwijken, geven zich ongegeneerd en zelfs ongevraagd over aan een wilde orgie van meppen en slagen, zodra zij in aanraking komen met een trommel. Roodaangelopen en hijgend verklaren zij vervolgens dat het oplucht je zo spontaan te kunnen uiten met die oerklanken uit die houten trommel met dierenhuid. En dit terwijl veel muziekliefhebbers gruwelen bij het aanhoren van twee maten Afro-Amerikaanse freejazz en zo mogelijk nog meer rillingen krijgen bij de eerste noten van de zogenaamde geïmproviseerde muziek uit Europa. Bij een saxofonist die in de hoge registers speelt of een gitarist die tijdens een snerpende solo uit de bol gaat, vraagt men zich vaak af waarom die zoveel lawaai maakt. Maar een rockconcert vindt men niet okee zonder het lawaaierig chaotische intermezzo van de obligate drumsolo. Die verdraagzaamheid tegenover improvisatie op trommels komt verdacht over in een samenleving die in haar cultuuruitingen slechts misprijzen voor dit 'primitieve' instrument getoond heeft en waar slagwerkers in de uitoefening van hun liefhebberij achtervolgd worden door burengeklaag, burgermeesterlijke verordeningen en berispende kepiedragers.

Schuilt er achter deze onverwachte tolerantie in feite geen minachting voor de trommel en voor de cultuur waar zij uit voortkomt? Veel mensen gaan er immers vanuit dat iederéén op een trommel kan kloppen, terwijl men wel weet dat men voor het beheersen van elk typisch Europees instrument, jaren studie nodig heeft. De minachting blijkt ook uit de fantasiewereld die rond trommels wordt opgeroepen. Wie zich "uitleeft" op een trommel, beeldt zich al snel in dat ie zich bevindt te midden van een troep primitieve bosnegers die bij volle maan en met kippebeenderen door hun neuzen de wilde dansen van halfnaakte negerinnen begeleiden op hun tamtams.

Wie zich verdiept in de studie van slagwerk en in die van de Afrikaanse cultuur, weet dat het tegendeel waar is. Hoe verward en ongrijpbaar het getrommel van Afrikaanse slagwerkers ook mag klinken in onze oren, het blijkt steeds om een nauwgezette reproductie te gaan van ritmes die reeds gedurende eeuwen op dezelfde manier gespeeld worden. Bovendien blijken die ritmes op een vernuftige wijze in elkaar te zitten in een systeem dat wij polyritmisch (= 'verscheidene ritmes'; zie de tekst 'Muziek in Afrika') noemen en dat in complexiteit niet moet onderdoen voor onze zogenaamd beschaafde muziek. Heel de gemeenschap kijkt er in Afrika op toe of de traditie die zij van generatie op generatie krijgen overgeleverd, ook vandaag op gestrenge wijze gereproduceerd wordt. Binnen dit vastliggende kader is er ruimte voor improvisatie. Welbepaalde begeleidende trommels mogen zich op eigen initiatief of reagerend op een medemuzikant, zanger of danser, bedienen van variaties, die echter ook vaak traditioneel vastliggen. Andere trommels volgen getrouw de improvisatie van de solist. De solist (als die er is, zoals bij de Malinké; bij andere ethnieën is dat niet steeds het geval!) heeft de meeste vrijheid, met dien verstande dat hij de improvisaties van de dansers volgt en slechts variaties gebruikt die in de geest van het traditionele basisritme blijven.

We zien dat de gemeenschappelijke traditie hier het begrenzende kader van de improvisatie vormt en de improvisatie mogelijk maakt. De Westerse manier van improviseren staat hier diametraal tegenover. Freejazz is bij de Amerikaanse zwarten ontstaan op het einde van de jaren '60 als reactie tegen de europese muzikale schema's die hen door hun blanke broodheren in de mainstream jazz werden opgedrongen. Hier in Europa bestaat een stijl die geïmproviseerde muziek genoemd wordt en die in de zeventiger jaren ontstaan is als reactie tegen de steriliteit en commerciële exploitatie van de muziek die elke levendigheid verloren was. In deze muziekstijlen is improvisatie het tegengestelde van traditie. Nadat het individu de grenzen vernietigd heeft die hem door een gemeenschap zijn opgelegd, is het vrij zich over te leveren aan de expressie van zijn meest verdrongen gevoelens. In het geval van de 'zwarte' freejazz ging het vaak om het uiten van gevoelens uit een verdrongen gemeenschappelijke cultuur (nl. die van Afrika, waaruit hun voorouders als slaven werden weggevoerd). Bij de 'witte' geïmproviseerde muziek ging het om het uiten van verdrongen individuele gevoelens die in onze overgeorganiseerde maatschappij geen uitweg vinden.

Deze zelfexpressie is pas mogelijk in een veilig klimaat, geschapen door musici die elkaar kennen, oor hebben voor elkaar, elkaar ondersteunen, ruimte geven en wederzijds begrip tonen. Welnu, al deze voorwaarden lijken mij voldaan in het geval van de Afrikaanse polyritmische muziek. Er is dus niets op tegen dat een solist 'op zijn Europees' improviseert op een basis van Afrikaanse ritmiek. Het is zelfs een vorm van kruisbestuiving die beide muziekstijlen en culturen kan verrijken.

Toch geven de Afrikaanse en de Europese benaderingswijzen van improvisatie verschillende resultaten. Een Afrikaanse solist ziet zijn traditionele soloritme (basis en variaties) als een soort sociale zekerheid, een vangnet, waarop hij na elke reeks ritmische capriolen weer veilig op zijn pootjes terecht kan komen. Het is zijn keurslijf, maar tegelijkertijd zijn steunzool. Samen met de dans inspireert het hem tot fraseringen waar hij anders nooit zou opgekomen zijn. Bovendien is een Afrikaanse solist in zekere mate verwisselbaar, daar elke solist de soloritmes van elke dans behoort te kennen. De dansen en ritmes zijn immers gemeenschappelijk bezit van de cultuur. Auteursrechten zijn in de traditionele samenleving gelukkig onbestaande, want overbodig. Bij Europese improvisatie is niet de gemeenschap, maar het individu het belangrijkste. Bij een Europese muzikant apprecieert men het bezitten van een persoonlijke stijl die herkenbaar is in verschillende muziekstukken. Europese improvisaties gaan meer verschillen van persoon tot persoon, maar eenzelfde muzikant zal gelijkaardig soleren op verschillende ritmes. Afrikaanse improvisaties verschillen minder van persoon tot persoon, maar daar staat tegenover dat bij elk ritme een typische manier van improviseren hoort.

Gemeenschap en traditie vormen de grenzen van de Afrikaan; individu en heden zijn de grenzen van de Europeaan. Misschien zou het tot een mooie muzikale mengvorm leiden, moesten we beide benaderingswijzen kunnen verenigen om te komen tot een slagwerkstijl waarin elke solist op een persoonlijke manier de traditionele ritmes uit Afrika interpreteert. Waarschijnlijk ligt daar de zin en de uitdaging voor Europeanen die zich verdiepen in Afrikaanse muziek, maar die geen zin hebben om die muziek, die toch uit een heel andere traditie dan de onze komt, klakkeloos te copiëren.

Yanne De Belder, februari 1998 (herzien oktober 2002)