Polyritmiek bij de Malinké
Dit artikel kan gelezen worden als toepassing van de tekst "Muziek in Afrika" die je elders op deze webstek kan lezen. We beschouwen de muziek van de Malinké als polyritmisch, d.w.z. als muziek die bestaat uit verschillende ritmische lagen of patronen.
Hoewel de Malinké in de loop der tijden uitgezwermd zijn over Ivoorkust, Burkina Faso en Senegal en op die manier hun muziek verspreid hebben over zowat heel West-Afrika, zullen we het in dit artikel voornamelijk hebben over het slagwerk in de streek Manden, dat historisch en geografisch het hart van de Malinké-cultuur vormt. Manden strekt zich uit over het zuidwesten van Mali (Kita en Kangaba) en het noordoostelijke kwart van Guinée (Siguiri, Mandiana, Kankan en Kouroussa). In de dorpen op het platteland, waar men ook vandaag nog grotendeels volgens de prekoloniale tradities leeft, is er doorgaans slechts één djembémeester. Ondersteund door een tweetal leerjongens op begeleidende djembé en op doundoun, is hij de master of ceremony op alle feesten die in het dorp plaatsvinden. Daarbij wordt hij vaak begeleid door andere muzikanten op nkoni (driesnarig tokkelinstrument), op tama (okseltrom) of aan de balafo (xylofoon). De vrouwen zingen, dansen en bespelen de karignan (ijzeren buisvormig gongetje) of de diabara (kalebasschudder).
Om de Malinkéritmes te ontleden, gebruiken we de driedeling die de Amerikaanse percussionist en etnomusicoloog David Locke voorstelt. In een traditioneel slagwerktrio bepaalt het djembébegeleidingsritme de TIJD (the time). Dit vormt de grondlaag voor de tweede laag van de polyritmiek, die wordt gespeeld door de doundounspeler. Het patroon van de doundoun, een met stok bespeelde bastrom, vormt een antwoord, een RESPONS (the response) op de vraag, de ROEP (the call) van de djembésolist, die hiermee de afwerkingslaag aanbrengt. Het is naar deze structuur dat we verwijzen als we het hebben over het vraag-antwoord-karakter van Malinkémuziek.
De TIJD is de ritmische basis. Het gaat om het kneden van de tijd in een bepaalde vorm, die de fundamentele ritmische structuur, de muzikale context en de typische kadans van het ritme als geheel aangeeft. De herhaling staat hier centraal: al de ritmepatronen die niet veranderen in de chronologie van het musiceren kunnen we onderbrengen bij de TIJD. De ROEP wordt gespeeld door de solist, die de leider is en vaak meesterdrummer. Hij geeft het tempo aan, improviseert op basis van traditionele ritmische zinnen en geeft signalen voor de dansers. De verandering neemt hier een centrale plaats in. In de patronen die de RESPONS uitmaken, ontmoeten herhaling en verandering elkaar. De doundounspeler kan welbepaalde variaties van zijn vaste basispatroon gebruiken in zijn vraag-antwoord-spel met de solist. Hij 'volgt' de solist.
In een klein ensemble van drie slagwerkers spelen de begeleidende djembé en de doundoun bij voorkeur patronen die 'tegen de tijd' zitten (off beat ritmes). De sterke tijden worden dus niet of zwak gespeeld; het is dààr dat de dansers hun voeten kunnen zetten. Als er meer muzikanten zijn, kan men twee begeleidingspatronen op djembé spelen. De ene djembéspeler neemt het basisbegeleidingspatroon voor zijn rekening, d.i. de djembébegeleiding die typisch is voor een bepaald ritme; de tweede een begeleidingspatroon dat er complementair aan is. Meestal zijn er dan ook twee doundounspelers: de basisdoundoun die mag variëren en een patroon speelt dat haaks staat op dat van de tweede doundoun, die niet varieert en dus deel uitmaakt van de TIJD.
In de Guinese streek Hamanah (rond Kouroussa) zijn de doundounspelers steeds met z'n drieën, waarbij elke doundounspeler met zijn linkerhand een kenken (metalen gong) bespeelt. De eerste doundoun heet hier dounounba, de tweede sangban en de derde kenkeni. De kenkeni mag niet variëren en behoort dus tot de TIJD. De dounounba volgt de solist en maakt dus deel uit van de RESPONS. Bij de sangban liggen de zaken iets ingewikkelder. Hij vormt eigenlijk het hart van het ritme. Dit betekent dat het de sangban is die onderscheid met andere ritmes mogelijk maakt. Het patroon dat sangban speelt, bepaalt ook de lengte van de ritmische zinnen. Het is de 'melodie' van het ritme, datgene wat in je hoofd blijft hangen als de muziek gestopt is of datgene wat je hoort als je je ogen sluit of het ritme vanop enige afstand beluistert. In die zin is de sangban een onderdeel van de TIJD. Maar sangban mag ook variëren, reagerend op en gelijklopend met de improvisaties op djembé en volgens welbepaalde patronen. Op die manier behoort hij tot de RESPONS. Samen met dounounba voert hij een dynamische conversatie met de solodjembé. De bel of kenken die elke doundounspeler met zijn linkerhand bespeelt, geeft het raster aan waar het patroon van de doundoun in past. Zo geeft het belpatroon mogelijke variaties voor de doundoun aan. In Hamanah bestaat bovendien een familie van dansen die alle 'Dounoumba' genoemd worden of 'Dans van de sterke mannen'. Deze ritmes zijn heel wat ingewikkelder van structuur dan de meeste andere Malinkéritmes en de variaties van dounounba en sangban spelen er een prominente rol in. Schematisch hebben we dus voor elk ritme:
I. de TIJD:
1. sangban (het hart van het ritme),
2. kenkeni,
3. basisbegeleidingspatroon voor de djembé (heeft een innige verhouding met de sangban),
4. tweede begeleidingspatroon voor de djembé (duidt de tijden aan en deelt dus elke maat in vier gelijke delen in),
5. derde djembébegeleiding (benadrukt meestal de tegentijden),
6. kenkens (de cadans van het ritme) en eventueel
7.diabara.
(Tweede en derde begeleidingspatronen zijn facultatief.)
II. de RESPONS:
1. sangban en
2. dounounba die met hun variaties reageren op:
III. de ROEP: de djembésolist die de dans volgt.
Zoals overal elders in Afrika, is muziek bij de Malinké een vorm van communicatie. Niemand speelt een ritme dat al door iemand anders gespeeld wordt. Elk ritmisch patroon vult de andere patronen aan. Elk patroon reageert op een ander patroon, verwijst dus naar de andere ritmische lagen en aldus naar het geheel waarin elkeen zijn onvervangbare rol vervult. Zelfs wat de solist speelt, is niet belangrijk op zichzelf, maar slechts in de mate dat zijn spel verwijst naar zowel de TIJD, als de RESPONS en natuurlijk in de eerste plaats naar de dans. Op die manier moedigt de muziek van de Malinké aan tot interactie en geeft het aan elk individu een plaats in de gemeenschap (van muzikanten, dansers en toeschouwers, of -uitgebreid- van de dorpelingen).
Polymeter of het kruisen van ritmepatronen, dat voornamelijk voorkomt in soloritmes en improvisaties, is één van de technieken waarover een drummer beschikt om de aandacht op de andere ritmische lagen te richten. Hierbij 'verlaat' de ROEP van de solist het metrum van het ritme en doet verscheidene malen 'haasje-over' met de muziekmaten om na een reeks 'loopings' samen met de RESPONS en de TIJD op de 'één', d.i. de eerste tel van elke maat, te 'landen'. Tegenritmes (het ene patroon deelt de maat in vier in, terwijl het andere patroon dezelfde maat in drie indeelt) komen eveneens vaak voor in solozinnen. Vooral 12/8-ritmes nodigen uit tot het spelen van tegenritmes. Daar zijn het vaak de doundouns die een tegenritme aangeven dat gesuggereerd wordt door het belpatroon. De belpatroontjes in 12/8-ritmen zijn heel vaak gedeeltelijk in tegenritme. Ook kruisende ritmes komen wel eens voor tussen verschillende doundouns onderling. In de hogervermelde Dounoumba-ritmes neemt het spel tussen verschillende tegenritmes en tussen verschillende kruisende ritmes zelfs de centrale plaats in.
Wat het benadrukken van tegentijden betreft, herhalen we dat van de begeleidingspatronen en de doundounpatronen bij voorkeur die patronen gespeeld worden die tegen de tijd zitten indien er slechts enkele muzikanten aanwezig zijn. Een verschijnsel dat veel voorkomt bij het Malinkéslagwerk, is dat twee of zelfs drie djembés hetzelfde begeleidingspatroon spelen, waarbij elke muzikant een (deel van een) tel verschoven is ten opzichte van de ander. Ook tussen verschillende belpatroontjes doet zich vaak zo'n 'rondzingen van ritmes' voor met als effect een psychedelische aanval op het waarnemingsvermogen (het effect van de zogenaamde auditieve illusies). Terwijl de TIJD en de RESPONS grotendeels rond de 'één' spelen, zal het soloritme van de djembé juist vaak de beat benadrukken, om de eenvoudige reden dat de dansers ook meestal hun voeten op de tijd zetten. Toch vullen soloritmes vaak zowat alles op behalve de 'één'; de solist speelt dikwijls 'rond' de 'één'.
Tot slot beschouwen we nog de chronologie van de muziek-en-dans bij de Malinké. Er wordt slechts muziek gespeeld als er gedanst kan worden en op zo'n dansfeest wordt er altijd gezongen. De griotte of jelimuso, die als traditionaliste volgens erfrecht de rol van voorzangeres heeft, heft een lied aan. De toeschouwers vormen het koor voor de antwoordzang. De muzikanten onder leiding van de solist herkennen het lied en vallen in met het ritme dat erbij past. Zij begeleiden de zang niet te luid en in een traag tempo. Vervolgens beginnen de danseressen of dansers de basispas die bij het ritme hoort, te dansen, waarbij zij een cirkel vormen. Als het lied afgelopen is, drijft de solist het tempo van de muziek op. Enkele dansers maken zich los uit te cirkel en komen om beurt solo dansen voor de djembéspeler. Naargelang hun kennis van variaties op de basispas en naargelang hun kunde om te improviseren, volgt de solist hen met zijn ritmische variaties en improvisaties tot aan de snelle finale of chauffe. Daarna valt het ritme terug op een trager tempo en is het de beurt aan de volgende danser. Als iedereen die zin heeft om te dansen, bevredigd is, stopt de muziek en begint de griotte een nieuw lied.
Yanne De Belder, maart 1996 (herzien oktober 2006)
Bibliografie:
David Locke: Drum Gahu - The Rhythms of West African Drumming (New York, White Cliffs Media Company, 1987).
