Sociale structuur bij de malinke
1. De 'kasten'
De traditionele, dus pre-koloniale samenleving van de Mandingo of Malinké was erg hiërarchisch gestructureerd. De maatschappij was niet alleen opgedeeld volgens leeftijd en geslacht maar vooral volgens een systeem dat de meeste etnologen omschrijven als een 'kastensysteem met clans'. Er waren drie grote groepen die in hiërarchische verhouding tot elkaar stonden. De 'horon' of nobelen waren de machtigste groep. Zij konden landbouwer zijn, jager, strijder of handelaar. Daarnaast konden zij de bestuursfuncties waarnemen. Het bewerken van het land en andere handenarbeid lieten zij uitvoeren door 'jon', gevangenen of slaven. Dit waren (afstammelingen van) tijdens oorlogen gevangen genomen strijders. Een jon was dus steeds een gevallen horon. Zij stonden helemaal onderaan de sociale ladder en schijnen slechts als groep bestaan te hebben om de inferieure positie van de derde groep aannemelijker te maken: de 'nyamakala'. De nyamakala waren de ambachtslui die in dienst stonden van de horon. Op het eerste gezicht lijkt deze structuur erg veel op het middeleeuwse feodalisme in Europa met zijn indeling in een hiërarchie van edelen, lijfeigenen en ambachtslui. Toch mogen we ons niet laten misleiden door deze gelijkenis, die vooral in het oog springt doordat de Europese etnologen dezelfde terminologie gebruikten voor de beschrijving van beide systemen. Het belangrijkste verschil met het Europese feodalisme is dat er in West-Afrika geen grondbezit bestond, zodat ook de buitensporige verschillen in rijkdom zoals die bij ons bestonden, bij de Malinké niet konden ontstaan. Een tweede verschil ligt in het feit dat er, in tegenstelling tot het Europees feodalisme, bij de Malinké een mobiliteit bestond tussen de klasse van de nobelen en die van de slaven. Een jon was steeds een gevallen horon en kon zijn vroegere status zelfs terugverwerven door de strijd of de vrijkoop. Er zijn zelfs jon geweest die het tot koning gebracht hebben. Ten derde moeten we erop wijzen dat wat we hier beschrijven, zich allemaal afspeelt op zeer kleine schaal. De bestuursfuncties in een dorp waar meestal slechts enkele families woonden, stelden echt niet zoveel voor in vergelijking met de beslissingsmacht waarover de middeleeuwse heren van bij ons beschikten en hetzelfde kan gezegd worden over de oorlogen: oorlog betekende bij de Malinké meestal een symbolische strijd tussen dorpen, waarbij de inzet vaak niet meer was dan het veroveren van een vrouw en waarbij de strijd gestaakt werd van zodra de eerste gewonde viel. Ook de vergelijking met het Indische kastensysteem gaat niet op, niet alleen omdat de hiërarchie bij de Malinké niet verbonden is met een geloof in reïncarnatie, maar ook omdat er noch in de relatie horon-jon, noch in de relatie horon-nyamakala een éénrichtingsverkeer heerste. Het Malinké-woord 'diatigi', dat de positie van een meester tegenover zijn dienaar uitdrukt, houdt ook de notie van verantwoordelijkheid in, in die mate dat een horon eerverlies lijdt, indien er iets gebeurt met één van de nyamakala die onder zijn hoede staan.
2. De Nyamakala.
De nyamakala waren geen edelen en mochten dus ook niet deelnemen aan bestuursfuncties, noch deelnemen aan landbouw, handel of oorlog. Zij konden niet huwen met horon en hadden hun eigen specifieke taken, die op hun beurt dan weer niet door de nobelen mochten uitgevoerd worden. Zij waren ook geen slaven en konden zelfs nooit - zoals de horon - tot slaaf gemaakt worden. Zij waren vrij, moesten niemand dienen en konden zelf slaven bezitten. Op die manier bezetten de ambachtslui in de traditionele Malinké-samenleving een tussenpositie tussen de nobelen en de slaven. Als dusdanig vervulden zij niet alleen vaak de rol van onderhandelaar tussen horon en jon, maar bemiddelden zij ook in de talrijke andere conflicten die konden ontstaan in deze streng hiërarchische maatschappij (conflicten tussen geslachten, tussen broers, leeftijdsgroepen, clans, dorpen, etnieën of individuen). De ambachten die de nyamakala uitvoerden, waren exclusief aan hen voorbehouden: zelfs aan een horon was het verboden die ambachten te bedrijven. De nyamakala worden ingedeeld in vier groepen volgens hun ambacht.
1. het bewerken van het ijzer (mineralen): de 'noumoun'. Als meesters van het vuur en het ijzer hadden zij, zoals elders in Afrika, een speciale status.
2. het bewerken van het leder (dierlijke bijproducten): de 'karanké'.
3. het bewerken van het hout (en andere plantaardige producten zoals calebassen): de 'kulé'.
4. het 'bewerken' van het woord, de zang en de muziek (of menselijke, ongrijpbare 'producten'): de 'jeli' of in het Frans: de 'griots'. Op hun positie en functie in de samenleving, die omvattender zijn dan die van de overige nyamakala, en op hun evidente relatie met de muziek en met de djembe gaan we later dieper in. Volgens sommige bronnen horen de kulé als kaste niet tot de nyamakala. Hun plaats wordt dan ingenomen door de finé, een soort griots die wel het gesproken woord beheersen, maar geen muziek maken en dus ook geen ceremonieën of feesten kunnen leiden. Alle bronnen echter delen de nyamakala in vier groepen in.
3. De clans
Elk individu behoort bij de Malinké tot een clan of stamboom. Die clan behoort in zijn geheel hetzij tot de nobelen, hetzij tot de nyamakala. Tot welke klasse men behoort, wordt bepaald door de familienaam die men draagt en die tevens de naam van de clan is: de 'jamu'. Mensen die tot dezelfde clan behoren, beschouwen zich als familie van elkaar. De familienaam is tegelijkertijd een eretitel die men gebruikt om elkaar te begroeten. Het aantal familienamen is beperkt. De meeste burgers zijn horon: de Keita, de Kamara, de Kondé, de Konaté, de Traoré,... De anderen zijn nyamakala: de Diabaté en de Kouyaté zijn jeli, de Doumbouya en de Koroma zijn noumoun, enzovoort. Bovendien verwijst de jamu naar de lotgevallen en heldendaden van de 'beba', de (mythisch veronderstelde) stichter-voorouder van de betreffende clan. Die heldendaden worden verslaan in de door de jeli mondeling overgebrachte verhalen over het ontstaan van het 13e-eeuwse Mali-rijk, die samen ook wel het Soundiata-epos genoemd worden, naar de naam van de stichter en eerste koning van het rijk. In die verhalen komen de 'eerste voorouders' van alle clans voor en krijgt elke voorouder met zijn nakomelingen de plaats toegewezen die zij vaak nu nog bezetten in de sociale structuur. Zo is Soundiata zelf de 'eerste voorouder' van de Keita. Bijgevolg zijn alle Keita horon die jagers zijn en bestuursfuncties kunnen uitoefenen. Tenslotte heeft elke clan een totem of 'tana'. Dit is het dier dat ten tijde van Soundiata de 'eerste voorouder' van die bepaalde clan geholpen en ondersteund heeft en dat vanaf dat ogenblik diens nageslacht is blijven bijstaan. De leden van een clan mogen hun totemdier niet doden, noch eten. Oude clanleden durven een enkele keer wel eens de gedaante van hun tana aan te nemen...
4. En verder...
Er zijn groepen van mensen bij de Malinké die buiten het hierboven beschreven systeem vallen. Vooreerst zijn er de vrouwen, die in de traditionele samenleving minderwaardige posities bekleedden en niet deelnamen aan het sociale leven, het uitoefenen van een beroepsbezigheid, enz. Zij waren wel baas over het reilen en zeilen van het huishouden en echtgenotes van belangrijke personen hadden vaak een grote invloed op de beslissingen die genomen werden. Bij de Malinké bestaan er ook nog vijf stambomen of clans van marabouts (zoals de Touré). Zij vervullen een religieuze functie binnen de Islam die enkel in zwart-Afrika voorkomt. Waarschijnlijk is het een overblijfsel van de pre-Islamitische animistische fetisj-dokters. De marabouts zijn verplicht een vroom leven te leiden dat tot voorbeeld strekt van andere gelovigen. Vaak leiden zij Koranscholen met de daaraan verbonden leerlingen-bedelaars. Verder worden zij geconsulteerd bij belangrijke beslissingen en bepalen zij de voornaam van elke pasgeborene. Tenslotte zijn er nog de andere groepen waar de Malinké speciale relaties mee hebben. Een Malinké zal nooit in een prauw stappen om te gaan vissen. Dat laat hij liever over aan de Somono, de vissers die langs de oever van de Niger wonen en die dezelfde taal spreken. Terwijl een Malinké zelf eerder landbouwer is, zal hij zijn vee kopen van de nomadische Peulh of Fulani, de typische koehouders van de Sahel. De meeste Peulh spreken het Poular, maar de Peulh van Wassoulou (zoals de Sangaré) spreken Malinké. Het systeem van clans en kasten is ook niet altijd zo rechtlijnig als hierboven beschreven werd. Zo zijn de meeste Kamara horon, maar bestaat er ook een tak van de Kamara die smeden zijn. Van de meeste griots wordt gezegd dat zij vroeger horon waren. Soms valt de naam van een clan samen met de naam van een kaste (de Finé heten allemaal Finé) of zelfs met de naam van een 'etnie' (de Somono heten allemaal Somono).
5. De muziek
Eerder beschreven we al op welke manier de polyritmische muziek de Afrikaanse samenleving weerspiegelt. We kunnen dit principe nu verder toepassen op de samenleving en de muziek van de Malinké. De hiërarchie van de maatschappij vinden we terug op het niveau van de muziekgroep doordat de djembefola of solodrummer als ambachtsman een echte meester is over zijn leerjongens die de begeleidende ritmen spelen, t.t.z. dat hij hen beveelt èn dat hij tegelijkertijd verantwoordelijk voor hen is. Belangrijke gebeurtenissen in de loop van het jaar hebben hun eigen dans (Kassa voor de oogst, Djagbe voor het einde van de Ramadan of voor het Tabaski,...). Ook de mijlpalen in een mensenleven hebben hun vaste dans (Soli en Toro voor de besnijdenis van jongens, Konden en Dounoumba voor de initiatie van jongens, Dennadon en Mendiani voor de initiatie van meisjes). Op dezelfde manier kunnen ook etnieën (Marakadon), kasten (Jelidon, Karankedon, Jondon) of clans (Kouyaté Semagueira) hun eigen dans en bijhorend ritme hebben. Deze dansen zijn dan exclusief voorbehouden aan leden van de desbetreffende kaste of clan. De bewegingen van deze dansen verwijzen vaak naar het totemdier of naar de lotgevallen van de 'eerste voorouder'. Traditioneel komen de muzikanten uit de kaste van de jeli. Toch zijn er ook muziekgroepen bekend van anderen, zoals bijvoorbeeld de jagers (horon) of de smeden (nyamakala), die dan wel een specifiek instrumentarium en repertoire bezitten dat niets te maken heeft met wat op de doorsnee-feesten gespeeld wordt. Vreemd genoeg zijn het de noumoun of smeden die de djembe's uithouwen en niet de kulé. Dit heeft o.a. te maken met het feit dat men de hogere krachten van de smid nodig heeft bij het bezweren van de vruchtbaarheidsgodheid die in de lenké-boom huist. De smid smeedt bovendien de 'segesege' (de 'oren' met ringetjes die aan de djembé bevestigd worden), de kenken of bellen voor de doundoun en de karignan of cilindervormige bel die de vrouwen mogen bespelen. De houtbewerkers houden zich bezig met het vervaardigen van andere muziekinstrumenten die uit plantaardig materiaal bestaan zoals de diabara. De inbreng van de karanké tenslotte beperkt zich tot het leveren van het vel van geit, koe of antiloop voor de trommels.
Yanne De Belder, maart 1997 (herzien oktober 2002)
Bibliografie:
Sory Camara: Gens de la parole - Essai sur la condition et le rôle des griots dans la société malinké (Paris: ACCT, Karthala; Conakry: SAEC, 1992).
Lansine Diabaté: Het Sunjata-epos (vertaald door Jan Jansen) (Utrecht: Jansen, 1994).
Djibril Tamsir Niané: Soundjata ou L'épopée Mandingue (Paris: Editions Présence Africaine, 1960).
