De solodrummer bij de Malinké
De rol van de solodrummer in een Malinké slagwerkensemble is fysisch niet zo zwaar, maar mentaal is het wel de moeilijkste rol van heel de groep. Als meesterdrummer heeft de solist een opleiding van vele jaren achter de rug. Hij is de leider van het muziek-en-dans-gebeuren en heeft dus een grote verantwoordelijkheid. Want in een Afrikaanse samenleving, waar muziek en dans niet los kunnen gezien worden van de context waarin zij plaatsvinden, is de solodrummer niet alleen de muzikale en choreografische leider, maar ook de dramatische leider.
1. Dramatische leider
De leider van een slagwerkensemble moet niet alleen de dansen en bijhorende ritmes grondig kennen en begrijpen. Als een echte dramaturg moet hij ook het totaalgebeuren kunnen sturen. Daarvoor moet hij snel situaties kunnen inschatten en er gepast op reageren. Vaak zal de leider dan ook een griot zijn, een traditionalist volgens erfrecht, die als geen ander de feesten en hun betekenis kent. Als master of ceremony zal hij erover waken dat voor elk feest de juiste liederen gezongen, de bijpassende ritmes gespeeld en de geschikte dansen uitgevoerd worden en dit eventueel in de juiste volgorde. Hij heeft tenslotte oog voor de gehele sociale situatie en probeert zoveel mogelijk volk bij het gebeuren te betrekken (participatie). Vaak ziet hij er ook op toe dat de kring kijklustigen niet teveel drumt, de kinderen de animatie niet hinderen en de grond regelmatig bevochtigd wordt tegen het opstijgend stof.
2. Muzikale leider
De solodjembéspeler kiest het juiste ritme dat past bij het lied dat de griotte als zangeres aanheft. Naar het einde van het lied toe, geeft hij het tempo van de versnelling aan en toont zijn leerjongens welk begeleidingsritme zij moeten spelen. Terwijl de andere ritmische lagen meestal heel de tijd door hetzelfde patroon herhalen, staat bij de solotrom de verandering centraal. De solist mag veel meer en rijkere muzikale ideeën tentoon spreiden en beschikt over een groter klankenpalet dan de drie basisklanken van de begeleidende djembés. Toch is het niet de bedoeling dat de solodrummer alle aandacht op zich trekt. Integendeel, hij moet juist communiceren met de verschillende onderdelen van het ritme, zoals hij ook communiceert met de dans en met de omgeving. Zijn ritmische zinnen staan niet op zich maar verwijzen naar de dans en de andere lagen van het ritme. Techniek en virtuositeit zijn ook voor hem ondergeschikt aan de helderheid van de communicatie. In de tekst 'Polyritmiek bij de Malinké' heb ik die communicatie voorgesteld als het vraag-antwoord-spel tussen de ROEP van de solist en de RESPONS van de rest van de groep, meer bepaald van dounounba en soms ook van sangban. Typisch polyritmische verschijnselen als polymeter en tegenritme komen vaak voor in soloritmes. Hierbij is het heel belangrijk dat de drummer zich enerzijds niet te ver verwijdert van de onderlinge verhoudingen die typisch zijn voor het ritme dat uitgevoerd wordt, maar anderzijds niet teveel synchroon gaat spelen met de anderen. Bij de Malinké baseert de solist zich steeds op een zogenaamd basisritme dat typisch is voor een welbepaalde dans. Hij beschikt over een reeks traditioneel vastliggende variaties die hij rond het basisritme kan weven. Tenslotte kan hij deze variaties nog gaan variëren. Dit noemen we improvisatie. Voorwaarde is wel dat de improvisaties in de geest van het basisritme blijven. Zo zal een meesterdrummer nooit op dezelfde manier improviseren op verschillende ritmes. Voor het variëren heeft de solist onder meer de keuze uit volgende technieken: accentuering, klankverwisseling, versieringen en roffels, onderverdeling door accentverschuiving, isoleren en herhalen van een motief, syncope (het vertraagd of vervroegd plaatsen van aanslagen) en het spelen van doelgerichte zinnen (dit zijn zinnen die eindigen op de 'één').
3. Choreografische leider
Al dit variëren en improviseren op een basisritme staat niet op zich. Het is volledig ondergeschikt aan de dans. De variaties en improvisaties hebben pas zin binnen een conversatie met de dans, waarbij de drummer signalen geeft aan de danser en omgekeerd. Bij de Malinké heeft de dans dezelfde drieledige struktuur als het spel van de solodrummer. Elke dans heeft één basispas die traditioneel vastligt en vaak al honderden jaren oud is. Daarnaast beschikt de danser over een aantal variaties op die basispas die ontstaan zijn in de loop van de geschiedenis. Tenslotte kan hij danser overgaan op improvisaties in de geest van de basispas. Die improvisaties eindigen in een finale (ook wel montée, chauffe of chauffement genoemd). De solodrummer moet met zijn spel de danser in zijn capriolen volgen. Hij moet dus in de eerste plaats zijn basisritme met de variaties beheersen en errond kunnen improviseren. Maar niet elke danser kent alle variaties en niet elke danser kan improviseren rond de basispas. Een doorwinterde solodrummer zal de meeste dansers uit zijn omgeving en hun respectieve vaardigheden kennen, maar als er nieuwe kandidaten naar voren treden, is het zaaks snel aan te voelen tot wat zij in staat zijn. Zo zal het heel vaak voorkomen dat een danser enkel de basispas kent en dadelijk overgaat naar de finale, zonder eerst langs de variaties en improvisaties te passeren. Enkel de beste dansers gaan door tot aan de improvisaties en enkel de beste drummers kunnen hen daarin volgen. Op dat moment wordt het overduidelijk hoezeer dans en muziek van elkaar afhankelijk zijn en is het soms niet meer uit te maken wie in dit ingewikkelde samenspel het initiatief heeft en wie daarop reageert. Terwijl de begeleidingsritmes die deel uitmaken van de TIJD, onveranderd voortkabbelen, zoeken danser en solist al improviserend een unieke "plaats" voor zich in die gemeenschap van ritmische lagen. Op die manier verwijst het muziek-en-dans-gebeuren naar de plaats die elk individu heeft in de Afrikaanse samenleving. Bovendien verwijzen deze improvisaties, die in het heden plaatsvinden, voortdurend naar het basisritme (de oorsprong) en haar variaties (de geschiedenis). Zo wordt dus niet alleen de plaats van het individu in de gemeenschap in herinnering gebracht; de gemeenschap wordt ook voortdurend tegenover de geschiedenis van haar voorouders geplaatst. We zien dus dat de dans-en-muziek bij de Malinké net zoals in de rest van Afrika niet zozeer een esthetische dan wel een sociale functie heeft: het verstevigen van de gemeenschapsbanden.
Noot: de taalconventie gebiedt me de mannelijke vorm te gebruiken als ik het over beide geslachten heb. In de praktijk zijn de dansers zo goed als altijd vrouwen.
Yanne De Belder, mei 1996 (herzien oktober 2002)
Bibliografie :
Adama Dramé en Arlette Senn-Borloz : Jeliya - Etre griot et musicien aujourd'hui (Paris : L'Harmattan, 1992).
David Locke : Drum Gahu - The Rhythms of West African Drumming (New York : White Cliffs Media Company, 1987).
John Miller Chernoff : African Rhythm and African Sensibility - Aesthetics and Social Action in African Musical Idioms (Chicago : University of Chicago Press, 1979).
