Uitschrijven van Afrikaanse ritmes: Aanvulling
Inleiding
Het gebruik van het schrift bestaat nog niet zo heel lang (slechts enkele duizenden jaren) en ontstond niet in alle beschavingen. De aanwezigheid van een klasse van handelslui in een stedelijke omgeving schijnt een voorwaarde geweest te zijn voor het ontstaan van het schrift. Denk maar aan de Chinese steden tijdens de Han-dynastie, het spijkerschrift van de Babyloniërs, de hiërogliefen van de Egyptenaren, enz. Vaak maar niet altijd ging dit samen met het ontstaan van monotheïstische godsdiensten (er is maar één god) en/of van een geïnstitutionaliseerde religie. Tegelijkertijd bleven er samenlevingen bestaan die schriftloos waren. Deze orale samenlevingen zijn vaak animistisch of sjamanistisch, geloven in meerdere goden of hebben een religie zonder instituut. Hierbij denken we aan zogenaamde natuurvolkeren zoals de Aboriginals in Australië, de Papoea in Nieuw-Guinea maar ook aan de zwarten in Afrika, de Inuits in Noord-Amerika en de Indianen in Noord- en Zuid-Amerika.
Een schriftelijke samenleving heeft zijn ontstaansmythe vastgelegd in een boek (bijvoorbeeld het boek Genesis van de mediterrane godsdiensten, christendom, jodendom en islam). Vaak zijn er ook leefregels op schrift gesteld (denk maar aan de islamitische sharia of de joodse tora). Deze volkeren geloven meestal dat er iets bestaat dat je 'waarheid' kunt noemen, dat er slechts één waarheid is en dat die waarheid staat opgetekend in het funderende boek van de samenleving (bvb. In de Bijbel of de Koran). In orale samenlevingen worden de ontstaansmythe en de andere mythen bewaard in het collectieve geheugen van het volk, dat vaak vertegenwoordigd wordt door een speciale klasse van priesters, druïden of griots (zoals in Afrika). Vaak circuleren er zo verschillende versies van dezelfde mythe en soms bestaan er zelfs verschillende elkaar tegensprekende ontstaansmythen binnen een zelfde cultuur. De waarheid is er dus niet eenduidig en bestaat vaak zelfs niet. Dit verklaart waarom mensen uit een orale cultuur een andere waarde hechten aan zaken die zijn opgeschreven dan mensen uit een schrifcultuur. Voor ons, westerlingen, is datgene wat geschreven staat (in de Bijbel of, voor ongelovigen, in de wetenschappelijke literatuur, in de krant, op het internet, enz.) waar. Verdergaand op de ingeslagen weg ontstond zo de handtekening en tenslotte één van de grappigste zinswendingen in ons juridisch jargon: "Gelezen en goedgekeurd", een verklaring die het geschreven woord nóg waarder maakt dan het al was. Zogenaamde natuurvolken hebben lak aan al dat paperassengedoe. Van Noord-Amerikaanse Indianen die alle schriftelijke verdragen met Europeanen of met blanke Amerikanen met de voeten getreden zagen nog voor de inkt was opgedroogd, moet je niet verlangen dat zij geloven in "gelezen en goedgekeurd". Zij denken net omgekeerd: een geschreven woord kan je overtreden want je kan het verscheuren, verliezen, uitgommen of onleesbaar maken. Maar een uitgesproken woord is als een reëel wezen dat een eigen leven begint te leiden zodra het je mond verlaten heeft en dat weer op je hoofd valt als je het verbreekt.
Hoewel de Malinké in West-Afrika voor het bestuur van hun maatschappij sinds de dertiende eeuw een beroep deden op Arabische schriftgeleerden en tijdens de kolonisatie op de Europese administratie, is de Afrikaanse samenleving grotendeels een orale of mondelinge samenleving gebleven. Afrikanen vinden de waarde die wij aan papier en tekst hechten nog altijd iets bizar. De discussie over het al dan niet uitschrijven van Afrikaanse ritmes, waartoe Rachel Laget in BAD 31 een mooie bijdrage leverde, gaat dan ook grotendeels aan hen voorbij. Afrikaanse muzikanten schrijven ritmes natuurlijk nooit op. Ze kunnen het niet maar willen het ook niet want ze hebben het niet nodig.
Wat heeft dit met djembé te maken?
Eeuwenlang werd alles dat deel uitmaakte van de Afrikaanse cultuur op mondelinge wijze bewaard (in het geheugen van levende mensen) en doorgegeven (van mond naar oor). Geschiedenis, stambomen, verhalen, dansen, muziek, liederen, rituelen, ambachten, landbouwmethodes, enz. werden overgeleverd zonder van schrift gebruik te maken. Dit gebeurde binnen een didactische meester-leerlingrelatie. Omdat Afrikanen hieraan gewend zijn, hebben zij een bijzonder goed ontwikkeld vermogen tot observeren en imiteren en een goed getraind geheugen. Maar wat misschien nog belangrijker is, is dat zij al die kennis en vaardigheden delen met hun gemeenschap, zodat zij steeds beroep kunnen doen op anderen als hen iets niet te binnenschiet of als iets niet lukt. Het weten is in Afrika dus niet enkel oraal, maar ook collectief.
Omdat kiezen voor Afrikaanse muziek en Afrikaanse muziekinstrumenten geen vrijblijvende keuze is, maar een cultureel relativistische stellingname inhoudt, lijkt het me een mooie uitdaging om te leren van de Afrikaanse cultuur op de Afrikaanse manier. Het observatie- en imitatievermogen waarvan moeder natuur ons voorzag, maar dat ons door het gezeur van "je mag niet naäpen" en "dat is niets voor kinderen" werd afgeleerd, zouden we op die manier misschien kunnen weervinden. We zouden zo ook ons ritmisch en muzikaal geheugen kunnen trainen, wat toch erg belangrijk is voor elke muzikant. En tenslotten zouden we zo de sociale banden met medemuzikanten kunnen aanhalen, want concurrentie tussen muzikanten is nooit productief, zeker waar het om polyritmische muziek gaat.
Aan het opschrijven van ritmes zijn twee belangrijke gevaren verbonden:
1. Er kunnen fouten sluipen in de opgeschreven ritmes, niet enkel bij het overschrijven, maar vooral bij het al luisterend noteren van ritmes. Vroeger was ik voorstander van noteren, maar hoe nauwgezet ik het ook deed, vaak vond ik jaren later toch nog foutjes die ik eerder over het hoofd zag. Het collectieve geheugen van Afrikaanse muzikanten en dansers is dan ook betrouwbaarder dan wat er ergens staat opgeschreven. Bovendien is elke notatie een vereenvoudiging die geen oog heeft voor feeling, overgangen, evoluties, enz. We proberen al uitschrijvend de Afrikaanse muziek in westerse maatschema's te wringen, wat onmogelijk is.
2. Iets wat opgeschreven staat lijkt 'echt' en 'waar'. Je hoort vaak zeggen: "Het is waar, want ik heb het gelezen. Ik kan het je laten zien." (Dit is bijna net zo erg als: "Het is waar, want ik zag het op televisie/las het op internet.") Dit is een statische houding die voorbijgaat aan de dynamiek van de polyritmiek. Een ritme is nooit een vastliggend patroon, het is slechts een basis waarrond beweging en verandering plaatsvinden. Bovendien evolueert een ritme doorheen de tijd. Het opschrijven van die ritmes kan de evolutie doen stoppen.
Ook vanuit didactisch oogpunt is het uitschrijven van ritmes niet helemaal goed te praten. Het gevaar bestaat dat mensen opgeschreven ritmes (via internet) aan elkaar doorgeven, zonder omkadering en zonder directe toepassing in de praktijk. M.a.w. de relatie leraar-leerling, waarbinnen alle overdracht van muziek al eeuwenlang plaatsvindt en die haar zin en nut afdoende bewezen heeft, kan teloor gaan. Hoe kan een leerling kritisch staan tegenover wat hij speelt, hoe kan hij interpreteren wat hij leest en vooral: hoe kan hij een eigen stijl ontwikkelen als hij geen voorbeeld heeft die een standaard of vertrekbasis aanreikt?
Toch zijn er een aantal voordelen aan het uitschrijven van ritmes (maar niet aan het verdelen ervan!). Als je ZELF een ritme, dat je eerst via het gehoor hebt aangeleerd, probeert te noteren (met welk systeem doet er niet toe), kan dat je analytisch inzicht vergroten. Het kan zijn dat je de polyritmische relaties tussen de ritmische lagen ontdekt voor het geval je moeilijkheiden hebt met het horen ervan. Uitgeschreven ritmes kunnen ook als geheugensteun dienstdoen op voorwaarde dat je ze zelf noteert en dat je er bijschrijft op welke manier er variaties kunnen gespeeld worden, met welke feeling je het ritme moet spelen, bij welke gelegenheid het ritme en de bijhorende dans uitgevoerd worden, uit welke streek het ritme en de dans komen, enz. Het gaat hier dan om persoonlijke documenten die jij alleen kunt interpreteren en die je daarom niet kunt doorgeven aan derden, tenzij je hen tevens op de traditionele manier in het betreffende ritme initieert.
Maar dan nog… In deze tijd van Minidiscs, DVD's en MP3's is het toch te gek om nog papier vuil te maken. Neem je ritmes op (eventueel op video met de dans erbij) en je hebt alle voordelen samen. Je traint je gehoor, je hoort de gebruikte feeling, je hoort de mogelijke variaties, enz. Maak gebruik van die technologie: zij is betrouwbaarder dan het schrift en respecteert de orale essentie van de Afrikaanse cultuur en van muziek tout court.
- Yanne De Belder, maart 2004
